VTA en boomveiligheid

   

Een visuele boomcontrole wordt uitgevoerd volgens de VTA  (Visual Tree Assessment) methodiek. Deze methodiek is ontwikkeld door Mattheck en Breloer uit Duitsland. Het principe van VTA rust op de identificatie van symptomen die de boom laat zien als reactie op zwakke plekken, rottingen of schimmels. Door middel van deze methode wordt de boom visueel beoordeeld op de aanwezigheid van gebreken en/of afwijkingen die een verhoogde kans geven op stam- of takbreuk, danwel windworp, waarbij gehele boom kan omwaaien. Bij een VTA gaat het dus primair om veiligheid.

Bij de controle wordt onder meer gelet op houtrot-veroorzakende schimmels, slecht aangehechte takken, rottingen, holten en voor de boom schadelijke ziekten of aantastingen. Een boom wordt na onderzoek goed- of afgekeurd, of wordt aangemerkt als attentieboom of risicoboom. Ook wordt meestal de toekomstverwachting meebeoordeeld. Bomen waarbij een afwijking gevonden wordt, maar waar blijkt dat deze op het moment van controle geen verhoogd risico met zich meebrengt, worden als attentieboom aangeduid. Bomen waarbij een afwijking gevonden wordt en niet kan worden aangegeven  of er een verhoogd risico aanwezig is, worden aangemerkt als zijnde risicoboom. Er zal bij deze bomen vervolgens een nader technisch onderzoek uitgevoerd moeten worden, of er zal aanvullend onderhoud gepleegd  moeten worden.

 

Voor de beoordeling van de veiligheid van bomen onderscheiden we een tweetal zaken:

- Breukgevoeligheid van de stam en takken;

- Stabiliteit (ook wel windworpgevoeligheid genoemd).

 Windworpgevoeligheid wordt veroorzaakt door het in meer of mindere mate disfunctioneren van stabiliteitswortels, waardoor er een verhoogd risico ontstaat op het ontwortelen van de boom. Windworpgevoeligheid ontstaat veelal in situaties waar op grote schaal wortels zijn beschadigd of aangetast door houtparasitaire schimmels.

 Bij de beoordeling van de boom op basis van bovenstaande aspecten wordt op basis van rekengegevens uit het veld uiteindelijk beoordeeld of een boom kan blijven staan of niet.

 Als criterium voor breukgevoeligheid geldt dat de restwanddikte rond een holte in een boom minimaal één derde van de straal van de stamcirkel moet zijn.

 Als criterium voor stabiliteit geldt dat de diameter van de wortelkluit met (nog) gezonde stabiliteitswortels een minimale verhouding tot de diameter van de stam heeft. Deze bedraagt in de regel 7 à 10 x de stamdiameter (naar: Mattheck & Breloer, 1995).

Hieronder het schema van de VTA.

Meer over boombeheerplannen in recreatieparken >>

Meer over aansprakelijkheid en zorgplicht bij bomen >>